Naar een constructieve dialoog om de aanpak van radicalisering te verbeteren

De voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie heeft op 4 januari 2017 in de media gereageerd op enkele uitlatingen van de heer Hans Bonte, burgemeester van Vilvoorde en tevens lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die in de pers waren verschenen.

De krant De Standaard had genoteerd : “Dikwijls zijn het de Franstalige rechters van de Brusselse rechtbank – iedereen weet dat het bij hen wat langer duurt en zij de jongeren makkelijker laten gaan. Dat is moedwillig een vorm van straffeloosheid creëren. Wel, ik vind dat stuitend. Zulke rechters zijn in mijn ogen wereldvreemd.” Naderhand spraken media over “lakse jeugdrechters”.

Net zoals de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie kritiek had geuit op een sociale mediacampagne van een politieke partij die in een specifiek dossier rechters wereldvreemd had genoemd (zie bericht van 13 december 2016), achtte de voorzitter het noodzakelijk om ook op deze tendentieuze uitspraak te reageren.

Zelfs al is het vanzelfsprekend dat iedereen kritiek mag en kan hebben op rechterlijke beslissingen, toch valt het te betreuren dat geen constructievere weg wordt bewandeld wanneer een politicus disfuncties bij het gerecht meent te moeten aankaarten. Het lijkt wel een trend te worden om kritiek te geven ten koste van rechters mogelijk om de aandacht te trekken, om vervolgens een en ander te nuanceren, maar met het resultaat dat het vaak onterecht negatieve beeld van Justitie nogmaals is versterkt.

Het is natuurlijk goed mogelijk dat jeugdrechters zich al eens vergissen of fouten maken, maar jeugdrechters wegzetten als “wereldvreemd” of “laks” suggereert een hoge graad van onbekwaamheid of onwil. Dat gaat wel héél ver. Dergelijke uitspraken in de pers vertroebelen een ernstig debat, al is het maar omdat (jeugd)rechters zich tegen zo’n subjectieve aantijging onmogelijk kunnen verweren. Het is hen trouwens verboden om commentaar te geven bij hun eigen beslissingen. Bovendien –en dat is nog het meest onrechtvaardig- kunnen dergelijke uitspraken de aandacht afleiden van mogelijke structurele problemen in het systeem waarvoor jeugdrechters niet verantwoordelijk zijn.

Laat ons niet vergeten dat een jeugdrechter zich slechts kan buigen over een zaak wanneer het openbaar ministerie hem daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd (“gevorderd” in het jargon). Het werk van een rechter is dus voornamelijk reactief, dus nadat er “iets” is gebeurd. Dan past de jeugdrechter de wet toe en neemt hij de maatregelen die hij wettelijk of feitelijk kán nemen.

De wetgever heeft bovendien gezorgd voor een relatief complexe situatie voor de Brusselse jeugdmagistraten. Zowel Franstalige als Nederlandstalige magistraten moeten er rekening houden met de taalwetgeving (met mogelijke taalwijzigingen), met een  jeugdwet gecombineerd met twee verschillende decreten en een Brusselse ordonnantie. Een Franstalige jeugdrechter moet bijvoorbeeld soms ook het Vlaamse Decreet inzake Integrale Jeugdhulp toepassen, of een Nederlandstalige jeugdrechter moet regels van de Franse gemeenschap en praktische afspraken tussen de verschillende gemeenschappen in acht nemen. Brusselse jeugdrechters worden dan ook geconfronteerd met verschillen in mogelijkheden tot begeleiding of plaatsing al naargelang de instelling afhangt van de Franse of Vlaamse Gemeenschap.

De voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie pleit dan ook voor een constructieve dialoog tussen politici en rechters. Zo’n gesprek, uiteraard niet over concrete casussen, zou kunnen plaats vinden op het neutraal terrein van de Hoge Raad voor de Justitie. Een dialoog leidt vaak tot meer begrip over ieders rol en mogelijkheden. Het biedt ook kansen om een aantal problemen waarmee men geconfronteerd wordt, aan te kaarten om ze samen proberen op te lossen.