Persbericht: toelichting bij de benoemingsprocedure

De Hoge Raad voor de Justitie (HRJ) wil de volgende toelichting geven bij de benoemingsprocedure voor magistraten.

Het is zeker niet onbelangrijk om op te merken dat de benoemingscommissies van de HRJ hun bevoegdheden uitoefenen binnen een zeer duidelijk kader, dat in de wet werd vastgelegd:
- De Federale Overheidsdienst Justitie bereidt een dossier voor
- Dat dossier bevat voor elke kandidaat de volgende documenten :

  • een kandidaatstelling
  • een gedetailleerd curriculum vitae
  • een motivatiebrief
  • het advies van de korpschef waar de plaats vacant is
  • eventueel, wanneer de kandidaat al magistraat is, het advies van de korpschef van de kandidaat
  • het advies van de vertegenwoordiger van de balie
  • eventueel, de opmerking(en) van de kandidaat over de bovenvermelde adviezen
  • de eindvermelding van de jongste evaluatie van de kandidaat
  • voor een plaats van korpschef, het beleidsplan van de kandidaat.

- Het dossier wordt aan de HRJ gestuurd
- De benoemingscommissie die bevoegd is voor de vacante plaats hoort de kandidaten. Om geldig te kunnen vergaderen moeten 2/3 van de leden, op een totaal van 14 leden per taalrol, aanwezig zijn. Voor een vacante plaats van tweetalige korpschef, waarvoor de Verenigde commissie bevoegd is, moeten bovendien bij de beraadslaging ten minste 10 leden per taalrol (en dus 20 van de 28 leden) van de Verenigde commissie aanwezig zijn.
- De bevoegde commissie beslist op basis van de gegevens uit de dossiers en van het horen van de kandidaten, bij 2/3-meerderheid, welke kandidaat zij voordraagt als de meest geschikte.
- Het proces-verbaal met de gemotiveerde voordracht van de kandidaat wordt vervolgens aan de minister van Justitie gestuurd om voor handtekening aan de Koning te worden voorgelegd. De minister kan, indien hij dat motiveert, de voordracht van de HRJ weigeren en een nieuwe voordracht vragen.
Ook moet worden onderstreept dat een benoeming of aanwijzing, indien gegevens uit een andere bron dan het dossier werden in aanmerking genomen, wel eens door de Raad van State vernietigd
zou kunnen worden.
Voor de benoemingscommissies is het geen optie om een kandidaat niet voor te dragen enkel en alleen omdat het dossier vermeldt dat tegen die kandidaat een tuchtonderzoek loopt. De tuchtprocedure is op dat ogenblik immers nog niet afgerond en voor de kandidaat geldt het vermoeden van onschuld. Na afloop van het tuchtonderzoek is het aan de tuchtoverheid om, in voorkomend geval, haar verantwoordelijkheid op te nemen.
De benoemingscommissies hebben geen onderzoeksbevoegdheid aan de hand waarvan zij kunnen nagaan of sommige dossiergegevens die bij hen vragen oproepen, gegrond zijn.
De HRJ betreurt dat hij in het kader van de benoemingsprocedure niet over een specifieke onderzoeksbevoegdheid beschikt zodat hij onder meer andere personen, zoals de korpschefs, kan horen, met naleving van de rechten van de verdediging en van de privacy van de betrokken kandidaten.