Persbericht: HRJ kritisch over voorontwerp van wet voorwaardelijke invrijheidstelling

Gedetineerden veroordeeld tot de meest zware straffen moeten, volgens een voorontwerp van wet van minister van Justitie Annemie Turtelboom, moeilijker voorwaardelijk kunnen vrijkomen. Minister Turtelboom heeft ook de Hoge Raad voor de Justitie een advies gevraagd over de tekst.
Over de beleidskeuze die hieraan ten grondslag ligt, wil de HRJ zich niet uitspreken. Als adviesverlener en ijveraar voor een goed werkende justitie, voor alle burgers, uit de Raad in zijn nieuwe advies wel enkele bedenkingen, onder meer over het ontbreken van een globale, wetenschappelijk onderbouwde, visie op de strafuitvoering.
De Hoge Raad stelt tevens de effectiviteit in vraag van de door het voorontwerp ontwikkelde maatregelen in de strijd tegen recidive. De Raad doet tenslotte nog een suggestie omtrent de duur van de proeftijd. Het advies en de samenvatting staan op de website van de HRJ.

Vage voorwaarden

Het voorontwerp zorgt ervoor dat veroordeelden in de toekomst langer in de gevangenis moeten blijven en dat de procedure van voorwaardelijke invrijheidstelling ingewikkelder wordt. Zo voert het allereerst een nieuwe “grond van herhaling” in voor zware misdrijven tegen personen: iemand die eerst voor wanbedrijf (zoals een diefstal) wordt veroordeeld en nadien voor misdaad (zoals moord), zal zich in de toekomst in bepaalde gevallen in staat van herhaling bevinden en een minimumstraf van zestien jaar krijgen. De Hoge Raad is van oordeel dat de voorwaarden van de nieuwe grond van herhaling onvoldoende precies zijn geformuleerd en dat daardoor het legaliteitsbeginsel in het gedrang komt. Zo wordt in het voorontwerp gesproken over een wanbedrijf dat “ernstig lijden” heeft veroorzaakt, een wel zeer vage omschrijving.

Inbreuk op toegang tot rechter

Dit voorontwerp voorziet ook dat wanneer de veroordeling tot een gevangenisstraf van dertig jaar of opsluiting gepaard gaat met een terbeschikkingstelling tot de strafuitvoeringsrechtbank, het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling slechts door de strafuitvoeringsrechtbank kan worden onderzocht, als de gevangenisdirecteur én het openbaar ministerie een gunstig advies verlenen. Waartoe heeft men een strafuitvoeringsrechtbank in het leven geroepen, als voortaan de gevangenisdirecteur en het openbaar ministerie –beiden hiërarchisch onderworpen aan de minister van Justitie – kunnen beslissen wie ervoor mag verschijnen? Dit druist in tegen het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter en komt neer op een ernstige miskenning van de scheiding der machten, het tegensprekelijk karakter van de rechtspleging en de grondwettelijke en internationale regels.

Het voorontwerp voorziet ook dat als de strafuitvoeringsrechtbank het verzoek van deze gedetineerden dan toch kan onderzoeken, de vervroegde vrijlating maar kan toegekend worden met eenparigheid van stemmen (zowel van de voorzitter als assessoren). Deze voorwaarde doet afbreuk aan de volwaardige hoedanigheid van magistraat van de assessoren, die voltijdse magistraten zijn en gespecialiseerd zijn in de materie (de ene specialist in penitentiaire zaken, de andere in sociale re-integratie).

Een gesprek

De Hoge Raad vindt dat, zoals het voorontwerp stelt, van de gedetineerden mag worden verwacht dat zij zelf het initiatief nemen tot de aanvraag van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hij vreest evenwel dat het voor sommige gedetineerden, die slecht geïnformeerd, sociaal zwakker of geïsoleerd zijn, niet volstaat dat de gevangenisdirecteur ze tijdig schriftelijk op de hoogte stelt van de mogelijkheid een voorwaardelijke invrijheidstelling aan te vragen. De Hoge Raad dringt er daarom op aan dat deze kennisgeving niet enkel schriftelijk wordt gedaan, maar ook het voorwerp uitmaakt van een individueel onderhoud.

Geen verhulde strafvermindering meer

De Raad doet tenslotte zelf een suggestie omtrent de duur van de proeftijd. Zorg ervoor dat de duur van de proeftijd eindigt met het einde van de uitgesproken straf, betoogt de Hoge Raad. Op die manier zou de strafuitvoeringsrechtbank de kans krijgen om tot het werkelijke einde van de straf toe te zien op de naleving van de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling gekoppelde voorwaarden, onder andere die met betrekking tot de slachtoffers.