Persbericht: HRJ kritisch over het nieuwe injunctierecht voor Justitieminister

Op 24 oktober 2012 heeft de Hoge Raad voor de Justitie een zeer kritisch advies uitgebracht over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling. De HRJ stelt vast dat de Regering in het gewijzigde wetsontwerp deels rekening heeft gehouden met de ingediende opmerkingen.

Wijzigingen

Eén van de kritieken van de HRJ, die heeft geleid tot een wijziging van de huidige tekst, was de “dubbele filter” (directeur-parket). Wat betreft de zwaarst veroordeelde gedetineerden, die veroordeeld zijn tot een vrijheidsstraf van 30 jaar of levenslang, voor wie een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank werd uitgesproken, beperkte het eerste wetsontwerp de toegang tot de strafuitvoeringsrechtbank door de gevangenisdirecteur en het Openbaar Ministerie een vetorecht te geven. Deze dubbele filter is uit het nieuwe wetsontwerp verdwenen en dat stemt de HRJ tevreden.

5 rechters

De HRJ betreurt echter dat de Regering de vereiste van eenparigheid van stemmen heeft behouden, en niet van meerderheid van stemmen, voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de veroordeelden die als zeer gevaarlijk worden beschouwd. Meer nog, eenparigheid is voortaan niet meer vereist door 3 magistraten, maar door 5, aangezien het huidige wetsontwerp bepaalt dat de SURB in de zwaarste gevallen is samengesteld uit zijn drie gewone rechters aan wie twee correctionele rechters worden toegevoegd.

Injunctierecht

De HRJ is ook uitermate bezorgd over de toekenning aan de minister van Justitie van een recht van injunctie ten aanzien van het Openbaar Ministerie dat veel verder gaat dan het instellen van een vervolging of het herstel van wetsschendingen, meer bepaald om het OM te verplichten cassatieberoep aan te tekenen. Op het gevaar af in willekeur te vervallen, mag de minister niet toegestaan worden in lopende procedures een eigen appreciatie in de plaats te stellen van deze van de bevoegde organen van het OM.

De interventies van de minister van Justitie ten aanzien van het Openbaar Ministerie zijn meer bepaald omschreven in artikel 151 van de Grondwet en in de artikelen 364 en 441 van het Wetboek van Strafvordering.  De minister een algemeen interventierecht toekennen, onder de vorm van injuncties die niet zouden zijn gemotiveerd overeenkomstig de wet, kan ertoe leiden dat het OM een eenvoudig beheersinstrument wordt van het kabinet inzake bepaalde dossiers. Dat zou regelrecht indruisen tegen de geest van de instelling, het brengt de procureur in een onhoudbare situatie tegenover de rechter, en het zal leiden tot procedures die worden gedifferentieerd al naargelang de redenen die daartoe aanleiding geven. De minister van Justitie mag zich niet, zelfs niet indirect, in de plaats stellen van een door de wet in het leven geroepen orgaan bij het uitoefenen van zijn rechtsvordering.

Conclusie

De HRJ betreurt nog steeds het gebrek aan een globale en wetenschappelijk onderbouwde visie met betrekking tot de strafuitvoering, en de ingeroepen hoogdringendheid onder het voorwendsel van een noodzakelijke inwerkingtreding van de wet op 31 januari 2013. De HRJ stelt zich nog steeds vragen over de doeltreffendheid van de geplande maatregelen om recidivegedrag te bestrijden. Een aantal maatregelen hebben overigens betrekking op een zeer kleine minderheid van de gevangenisbevolking, in dit geval 13 personen momenteel.