Persbericht: Familierechtbank moet er komen

Eén rechter bevoegd maken voor alle familiale zaken, is een heel goed idee. Dat schrijft de Hoge Raad voor de Justitie in zijn advies omtrent een nieuw voorontwerp van wet. Een koppel dat bijvoorbeeld in een echtscheiding is verwikkeld, kan vandaag te maken krijgen met liefst vier verschillende rechters, naargelang het stadium waarin de echtscheiding zich bevindt. Een vrederechter buigt zich over een echtelijke ruzie, tenzij de echtscheiding is ingeleid. Dan komt de rechtbank van eerste aanleg op de proppen, hetzij de voorzitter, hetzij een “gewone” rechter. Wil men bijvoorbeeld de opvang van kinderen anders regelen, na de uitspraak over de scheiding, dan dient de jeugdrechter zich uit te spreken.

Die complexe situatie zou met een wetswijziging kunnen veranderen. In april vorig jaar hebben de minister van Justitie en de staatssecretaris voor Gezin daartoe een voorontwerp van wet geschreven, dat met de val van de regering in de ijskast ging. De HRJ kreeg de vraag om zich hierover te buigen en leverde op 1 december 2010 zijn advies af. “De HRJ onderschrijft het algemene doel van het voorontwerp dat erin bestaat de dienstverlening aan de burger te verbeteren door de groepering van het geheel van de familiale zaken bij eenzelfde rechter, de vereenvoudiging, harmonisering en vermenselijking van de procedures”, zo staat te lezen in het 22 pagina’s tellende advies van de HRJ.

Positief vindt de Raad vooral het belang van de bemiddeling, de verplichting voor partijen om hierover informatie in te winnen en het feit dat rechters en parketmagistraten specialisten worden in de materie. De HRJ keurt de regeling goed die het voorontwerp ontwikkelt inzake het horen van minderjarigen en de harmonisering die daardoor wordt bewerkstelligd. Maar dit horen zou beter beperkt worden tot het ouderlijk gezag, het verblijfsrecht en het recht op persoonlijk contact met de minderjarige.

Tot slot heeft de Hoge Raad nog twee belangrijke bedenkingen over enerzijds de bevoegdheidsverdeling tussen de vrederechter en de familie- en jeugdrechtbank en anderzijds de rol van de parketten. In ruil voor het afstaan van heel wat materies aan de rechtbank van eerste aanleg, zal een vrederechter volgens het ontwerp weliswaar nieuwe bevoegdheden krijgen, in het bijzonder de organisatie van alle onbekwaamheidsstatuten (zoals verlengde minderjarigheid) . Hij wordt ook bevoegd voor zaken waarmee geldsommen tot 2500 euro gemoeid zijn, meer dus dan de 1860 euro vroeger.

Maar dat is niet genoeg. De HRJ pleit om nog méér zaken over te hevelen naar de vrederechter, uit zorg voor het evenwicht tussen beide rechtbanken én om de eerste aanleg niet teveel te belasten.”Vanuit het oogpunt van een goede werking van de rechtsbedeling is het van belang dat deze herverdeling een zekere evenredigheid vertoont, d.w.z. dat een evenwicht moet bestaan tussen de bevoegdheden die wederzijds toebedeeld worden en deze die onttrokken worden. (….) Gelet op de materies die overgedragen worden lijkt het gevaar zeer reëel dat de werklast die verschuift naar de rechtbank veel groter zal zijn dan deze die vertrekt naar de vrederechter. Hierdoor dreigt enerzijds de rechtbank overstelpt te worden en anderzijds lijken de bevoegdheden van de vrederechters uitgehold te worden.”
Bovendien is er bij de voorgestelde overheveling van bepaalde materies naar de vrederechter, onvoldoende rekening gehouden met de rol van de parketten. Bij de vredegerechten bestaat er vandaag geen parket. Maar in bepaalde zaken die hij door de geplande transfer op zijn tafel zou krijgen, speelt het OM vandaag wel al een rol, zij het in persoon op de zitting, zij het via een schriftelijk advies. Quid als die zaken, die nu voor de rechtbank van eerste aanleg komen (zoals de verlengde minderjarigheid, de onbekwaamverklaring en de benoeming van een raadsman voor verkwister), straks behandeld worden door de vrederechter? Moet een parketmagistraat zich dan ook verplaatsen naar het vredegerecht?