Persbericht: Bijzonder onderzoek R. Janssen online

De Hoge Raad heeft het bijzonder onderzoek afgerond, gevraagd door de minister van Justitie, naar “de aard en de kwaliteit van het werk van de magistraten in de zaak van de moord op Annick Van Uytsel en de wijze waarop de magistraten met de beschikbare informatie over Ronald Janssen zijn omgegaan”. Daarmee sluit het onderzoek van de Hoge Raad volledig aan bij het onderzoek dat het Comité P eerder uitvoerde naar het politionele luik van het strafonderzoek.

Uit het HRJ-onderzoek blijkt vooreerst dat de conclusies van het Comité P in zeer grote mate kunnen worden onderschreven, waarbij als minpunten vooral het ontbreken van een degelijke interne structuur binnen de Federale Gerechtelijke Politie (FGP) Leuven en een gebrekkige opvolging door de leiding van de FGP Leuven naar voren kwamen.

Wat de aard en kwaliteit van het werk van de magistraten betreft is de Hoge Raad van oordeel dat aan de magistraten, algemeen gezien, weinig tot niets kan worden verweten.

Zo is de onderzoeksrechter, onder wiens leiding het strafonderzoek werd gevoerd, een gedreven, competent en plichtbewust magistraat gebleken. Onder zijn impuls werden zowat alle mogelijke onderzoeksmiddelen en –technieken aangewend, waaronder ook vernieuwende technieken als de “screening”. Tevens werd meermaals beroep gedaan op de bijstand van andere diensten, zoals gedragswetenschappers, operationele misdrijfanalisten en de centrale diensten van de federale politie.

Algemeen gezien zijn er ook geen negatieve elementen te vermelden over de tussenkomsten van de magistraten van het parket van eerste aanleg te Leuven en te Hasselt en het parket-generaal te Brussel. Deze magistraten hebben zich op correcte wijze van hun taak gekweten.

Meer specifiek, wat betreft de wijze waarop de magistraten met de beschikbare informatie over Ronald Janssen zijn omgegaan, is de Hoge Raad eveneens van oordeel dat deze magistraten weinig of niets valt te verwijten.

Uit het onderzoek van het Comité P en de Hoge Raad blijkt duidelijk dat het onderzoeksteam van de Federale Gerechtelijke Politie Leuven (of althans bepaalde leden ervan) tijdens het strafonderzoek op verschillende momenten informatie kreeg met betrekking tot R. Janssen – onder meer in de vorm van informatierapporten van een andere politiedienst – en onderzoek naar hem heeft verricht, maar dat dit nooit als geheel aan de onderzoeksrechter werd voorgelegd.

Ronald Janssen werd aan de onderzoeksrechter door het onderzoeksteam nooit voorgesteld als een mogelijke verdachte.
Ook de parketmagistraat die titularis was van het dossier Van Uytsel volgde het dossier goed op en bracht geregeld verslag uit aan het parket-generaal.

Het onderzoeksverslag van de HRJ zoomt in op één welbepaalde tip: een RIR van 17/04/2008 met betrekking tot R. Janssen. Een RIR of “informatierapport” is een document voor het overmaken van zogenaamde zachte informatie tussen politiediensten. RIR’s zijn politie-instrumenten, voor intern gebruik, maar in sommige gerechtelijke arrondissementen (bv. Antwerpen en Leuven) is het Openbaar Ministerie vragende partij om op geregelde tijdstippen deze RIR’s te ontvangen, ter info, bijvoorbeeld om tendensen in de regionale criminaliteit te onderkennen.

In deze zaak was ook een bijkomende afspraak gemaakt, namelijk dat alle tips (dus inclusief alle RIR’s) in het onderzoek Van Uytsel, systematisch mondeling werden besproken met de onderzoeksrechter en uiteindelijk omgezet in pv’s.

Uit het onderzoek van de HRJ blijkt dat de politie inderdaad informatie uit de RIR van 17/04/2008 mondeling heeft besproken met de onderzoeksrechter, tijdens het overlopen van de tips in deze zaak. Op 24 juli 2008 is van deze informatie ook proces-verbaal opgesteld door het onderzoeksteam van de politie en werd onder de titel “Verder onderzoek” toegevoegd: “Betrokkene werd gecontroleerd in screening”. Een magistraat die dit onder ogen kreeg, kon er redelijkerwijs van uitgaan dat deze piste was onderzocht.

Toch pleit de Hoge Raad voor meer interactie tussen de gerechtelijke arrondissementen. Nu staat er vaak een denkbeeldige muur tussen en lijkt het « not done » om collega’s-magistraten uit een ander arrondissement rechtstreeks te contacteren. Dit kan er toe leiden dat eventueel nuttige informatie niet voldoende of niet doorstroomt.

De Hoge Raad doet in zijn verslag verder nog een reeks aanbevelingen (aan de wetgever, het college van procureurs-generaal, de parketmagistraten van de eerste aanleg, de onderzoeksrechters,...) die de algemene werking van de rechterlijke orde nog zouden kunnen verbeteren. Hij pleit er ook voor om dergelijke bijzondere onderzoeken in de toekomst samen te voeren met het Comité P, omdat het werk van politie en van de magistraten logischerwijs met elkaar verbonden zijn.

Zoals de wet bepaalt, zal het verslag worden overgemaakt aan de minister van Justitie, het parlement en de korpsoversten van de Belgische magistratuur. Het integrale rapport is online consulteerbaar op de website www.hrj.be (zie “Publicaties”/“Verslagen”). Precies om de actoren toe te laten in alle onafhankelijkheid aan de slag te gaan met het rapport en haar aanbevelingen, wenst de HRJ zich publiekelijk te onthouden van verdere commentaar op het gevoerde onderzoek.