Jaarverslag 2001 van de Hoge Raad voor de Justitie

Jaarverslagen

De Hoge Raad voor de Justitie maakte zopas zijn tweede jaarverslag over het kalenderjaar 2001 bekend.

Dit verslag geeft een gedetailleerd overzicht van de organisatie en de werking van de Hoge Raad enerzijds, en van de activiteiten van zijn commissies, met name de advies- en onderzoekscommissies en de benoemings- en aanwijzingscommissies, anderzijds.

Uit dit werkjaar van de Hoge Raad – het eerste volledige werkjaar, want de Hoge Raad startte zijn bevoegdheidsuitoefening immers pas vanaf 1 augustus 2000 – onthouden we de volgende markante aandachtspunten.

Voor de advies- en onderzoekscommissies, die instaan voor het onderzoek van klachten over de werking van de rechterlijke orde, zijn de bevindingen dezelfde als voor het eerste jaarverslag: het aantal klachten dat bij de Hoge Raad wordt ingediend, is beperkt, tal van de ingediende klachten (85%) vallen buiten de bevoegdheid van de Hoge Raad, en van de resterende 15% waarvoor de H.R.J. wel bevoegd is, wordt slechts 8% gegrond verklaard. De meeste van deze gegronde klachten handelen over de traagheid van de Justitie. De Hoge Raad heeft overigens een werkgroep opgericht die zich speciaal met de gerechtelijke achterstand bezighoudt. Verwacht wordt dat de conclusies van de werkgroep volgend jaar klaar zijn.

Naast deze objectieve analyse stellen de advies- en onderzoekscommissies een meer globale reflectie voor over de herpositionering van de klachtbevoegdheid van de Hoge Raad, en pleiten zij voor een formele fasering van de klachtbehandeling, voor een duidelijke communicatie met de burger opdat deze zijn klacht tijdig en bij de gepaste instantie formuleert en voor transparantie op elk niveau van de klachtbehandeling. In dit opzicht is de Hoge Raad voorstander van volgende fasering :

de eerstelijnsbehandeling: de juridische informatieverstrekking en communicatie, valt onder algemene rechtshulp en de justitiehuizen;

de tweedelijnsbehandeling: het klachtenmanagement dient rechtstreeks door de rechterlijke orde zelf te gebeuren, volgens een duidelijke en transparante procedure;

de derdelijnsbehandeling: de ombudsfunctie, extern aan de rechterlijke orde zelf, zou aan de Hoge Raad toekomen, en dit in het verlengde van de wil van de wetgever.

De Verenigde advies- en onderzoekscommissie toetste in 2001 een aantal wetsvoorstellen en -ontwerpen en bereidde er een advies over voor. Zo onder meer het voorontwerp van wet houdende antwoorden op delinquent gedrag door minderjarigen, het voorontwerp van wet tot wijziging van de “snelrecht”-procedure.

De Hoge Raad zit echter met vraagtekens bij de echte draagwijdte van zijn adviezen. Al te vaak immers legt de wetgever de adviezen – vooral de ambtshalve adviezen – naast zich neer. De Hoge Raad herbevestigt zijn bereidheid te willen bijdragen, via zijn adviezen met sociopolitieke inslag, tot een betere regelgeving, met name door een adequatere selectie van de belangrijkste aandachtspunten voor een betere justitie.

Ten slotte vermelden wij nog dat in 2001 dezelfde Verenigde advies- en onderzoekscommissie een doorlichting van het parket van Brussel heeft uitgevoerd en een bijzonder onderzoek naar de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde heeft gevoerd. Een aantal van de conclusies die hieruit werden getrokken, werden al in praktijk omgezet, zowel voor het parket van Brussel (met name de territoriale reorganisatie) als voor de rechtbank van Dendermonde.

De benoemings- en aanwijzingscommissies zijn in 2001 vrijwel iedere week samengekomen om de kandidaten voor te dragen voor een benoeming of een aanwijzing in de magistratuur. De Franstalige commissie behandelde 536 kandidaturen voor 199 vacante plaatsen, hoorde 337 van de kandidaten en droeg 99 personen voor, van wie er 89 door de koning werden benoemd. De Nederlandstalige commissie van haar kant onderzocht 864 kandidaturen voor 296 vacante plaatsen, hoorde 282 kandidaten en droeg 225 personen voor, van wie er 210 werden benoemd. De Verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie ten slotte behandelde 18 kandidaturen voor 13 vacante plaatsen, hoorde 8 van de kandidaten en droeg 9 personen voor, van wie er 8 werden benoemd.

De minister van Justitie weigerde in een aantal gevallen (25) om de voorgedragen kandidaat te benoemen, hoofdzakelijk omdat hij van mening was dat de voorgedragen kandidaat niet de meest geschikte of de meest bekwame was.

Voor wat de toegangsexamens tot de magistratuur betreft (toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage en examen inzake beroepsbekwaamheid) moet de Hoge Raad tot zijn spijt vaststellen dat de slaagpercentages in 2001 vrij laag blijven: gemiddeld slaagt voor deze examens 20% van de 356 Nederlandstalige deelnemers en 18% van de 322 Franstalige deelnemers.

Bij wijze van balans zijn de benoemingscommissies van oordeel dat zij het hoofddoel hebben bereikt, met name benoemingen in de magistratuur depolitiseren en objectiveren. Zij wensen echter over alle nodige informatie en instrumenten te beschikken voor een nog betere ontwikkeling van de wervings- en benoemingsprocedures. Dat lijkt een conditio sine qua non, wil men bijdragen tot een betere openbare dienst justitie.

De benoemings- en aanwijzingscommissies hebben bijzondere aandacht besteed aan de organisatorische problemen van zowel de initiële opleiding van de gerechtelijke stagiairs als de permanente vorming van de magistraten. Voor de samenwerkingsproblemen die zich in 2001 voordeden met de diensten van de minister van Justitie, is momenteel een oplossing in de maak. De Hoge Raad zal uiteindelijk zijn (grond)wettelijke bevoegdheid inzake opleiding erkend zien door alle gesprekspartners.

In dit verband pleit de Hoge Raad ervoor dat de bevoegdheden in deze materie integraal worden overgeheveld van het ministerie naar de Hoge Raad, in het vooruitzicht van de oprichting van een federaal instituut voor de magistratenopleiding. Dit instituut zou in samenspraak met de universiteiten werken, vanuit een coherente visie op de magistratenopleiding, die een essentiële voorwaarde is voor een kwaliteitsvolle magistratuur in ons land.

Voorts publiceerde de Hoge Raad in 2001 ook zijn eerste algemeen verslag over de werking van de rechterlijke orde.

De rechtscolleges, parketten en auditoraten zijn verplicht jaarlijks een werkingsverslag op te stellen, dat zij ondermeer aan de Hoge Raad voor de Justitie dienen te sturen. Daarna worden al deze verslagen geanalyseerd om er algemene conclusies uit te trekken. Omdat er geen redactiemodel voor dergelijke verslagen bestond, was het echter een vrijwel onmogelijke zaak om de ingekomen verslagen onderling te vergelijken. De aanbevelingen die de Hoge Raad in 2001 formuleerde, omvatten dan ook hoofdzakelijk richtlijnen voor het opstellen van de volgende jaarlijkse werkingsverslagen.

Ten slotte opent de Hoge Raad, tot besluit van zijn jaarlijks verslag, het debat over een herdefiniëring van zijn opdrachten. De Hoge Raad is van mening dat twee secties de huidige commissies in de toekomst zouden kunnen vervangen:

een “adviessectie”, bevoegd voor alle adviezen inzake justitie in de ruime zin;

een sectie “beheer en controle van de rechterlijke orde”, bevoegd voor alles wat verband houdt met het management en het beheer van de rechterlijke orde: beheer van personele en materiële middelen, doorlichtingsfunctie en uitoefening van de externe controle.

Voor de HRJ is een dergelijke hervorming zeker geen utopie. Een aantal Europese landen zijn deze weg al ingeslagen en hebben aan een autonome instelling – die onafhankelijk staat ten aanzien van de uitvoerende macht - de zorg overgelaten voor het beheer van de rechterlijke macht. Zodoende zou de minister van Justitie en zijn administratie worden versterkt in hun rol van de beleidsvoorbereiding en -uitvoering in juridische burgerrechtelijke, commerciële, gerechtelijke, en strafrechtelijke materies.

De Hoge Raad hoopt dat het jaarverslag 2001 in dit verkiezingsjaar zal bijdragen tot de reflectie van alle politieke actoren die, net als de Hoge Raad, het vertrouwen van de burger in justitie willen herstellen.