Invordering van vermogensstraffen en gerechtskosten in strafzaken

Adviezen

Wanneer iemand die veroordeeld werd tot betaling van een geldboete er alles aan doet om hieraan te ontsnappen, door zijn geld en goederen bijvoorbeeld over te brengen naar het buitenland of op naam van een vriend te zetten, beschikt het parket vaak niet over de wettelijke middelen om dit geld of deze goederen op te sporen.

Een voorontwerp van wet tracht hieraan een mouw te passen door de invoering van een “strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek” (SUO). In het kader van zo’n onderzoek zal de procureur des Konings niet alleen gewone opsporingsdaden kunnen stellen, maar, mits machtiging van een rechter, ook dwangmaatregelen kunnen nemen waarvoor normaal de onderzoeksrechter bevoegd is en bijzondere opsporingsmethoden kunnen aanwenden.

De Hoge Raad vraagt zich af of het wel een goed idee is om zo’n belangrijke en ingrijpende wetswijziging door te voeren via een programmawet zonder grondig overleg met de betrokken actoren en of er wel voldoende middelen zijn om deze wijziging uit te voeren.

Ook meent de Hoge Raad dat het niet verantwoord is om zeer ingrijpende onderzoekmaatregelen die normaal alleen mogelijk zijn in een gerechtelijk onderzoek naar zeer zware misdrijven thans in een SUO toe te laten voor gelijk welk misdrijf. De HRJ stelt voor om de meest ingrijpende onderzoeksmaatregelen voor te behouden voor zware misdrijven die in de wet moeten worden opgelijst en het gebruik ervan te beperken in de tijd (10 jaar).

Indien de procureur des Konings een dwangmaatregel wenst te nemen in het raam van een SUO zal hij de machtiging van een rechter moeten vragen. Hoewel de onderzoeksrechter meer vertrouwd is met de materie van de onderzoeksmaatregelen, hebben de opstellers gekozen voor een machtiging door de strafuitvoeringsrechter. Beide opties zijn verdedigbaar. De Hoge Raad vindt wel dat indien wordt gekozen voor de strafuitvoeringsrechter, er moet worden voorzien in een verplichte opleiding.

De rechter die de machtiging verleent, zal enkel de wettigheid en de proportionaliteit van de maatregel mogen beoordelen. De Hoge Raad vreest dat de machtiging op die manier wordt herleid tot een formaliteit.

De Hoge Raad betreurt ook dat de mogelijkheid wordt afschaft om de verbeurdverklaring uit te spreken “met uitstel”.

Tot slot is de Hoge Raad van oordeel dat de veroordeelde over de mogelijkheid moet hebben om de kosten van het SUO, die hij zal moeten betalen, te betwisten en voor te leggen aan een rechter.