Bijzonder onderzoek naar de werking van de rechterlijke orde naar aanleiding van de zaak Fortis

Bijzondere onderzoeken

In het kader van de zaak Fortis besloot de Verenigde advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad  (VAOC) op 23 december 2008 een bijzonder onderzoek te voeren naar de werking van de rechtscolleges en parketten overeenkomstig het artikel 259bis-16 van het Gerechtelijk Wetboek.

Dit bijzonder onderzoek is uitsluitend bedoeld om de werking van de rechterlijke organisatie te evalueren in het kader van het verloop van de procedure die uitmondde in de beschikking van de voorzitster van de rechtbank van koophandel in Brussel op 18 november 2008 en in het arrest van 12 december 2008 van de 18e kamer van het hof van beroep in Brussel.

Het bijzonder onderzoek toonde dysfuncties aan van diverse aard: contacten tussen leden van de beleidscellen en magistraten zonder de hiërarchische weg te volgen, aanwezigheid van magistraten van het openbaar ministerie in de beleidscellen zonder een deontologisch kader om dit te regelen, gebrekkig humanresourcesbeheer, onbestaand sociaal statuut voor de magistraat, wanverhouding in de wettelijke bepalingen houdende de heropening van de debatten, alsook de procedure vermeld in het artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek (vernietiging voor bevoegdheidsoverschrijding), tussenkomst van het openbaar ministerie bij de korpschef, terwijl de zaak in beraad wordt genomen, advies ingewonnen door een korpschef bij de korpschef van het hoger rechtscollege in het kader van een hangende zaak, ongemakkelijke positie van de korpschef (tegelijkertijd bemiddelen, steun verlenen, en

tuchtrechtelijke overheid zijn). De Verenigde advies- en onderzoekscommissie heeft een aantal aanbevelingen geformuleerd van algemeen beleid om de werking van Justitie te verbeteren, met inbegrip van de betrekkingen tussen de rechterlijke macht en de andere federale machten.

Het bijzonder onderzoek uitgevoerd door de Verenigde advies- en onderzoekscommissie in het kader van de zaak Fortis wees ook de beperkingen aan bij haar werkzaamheden in een bijzonder onderzoek, met name door de beperkte onderzoeksmogelijkheden en het bestaan van lopende gerechtelijke, strafrechtelijke en tuchtprocedures. Teneinde de grootste doeltreffendheid te verzekeren van een bijzonder onderzoek formuleert de Hoge Raad een aantal aanbevelingen om de mogelijkheden tot tussenkomst van de Verenigde advies- en onderzoekscommissie te verbeteren.