Bevraging raadkamers

Rapporten

Bevraging van de organisatie en werking van de raadkamers en van de parketten in het kader van het toezicht op de voorlopige hechtenis

Waarom deze bevraging?

Wanneer een verdachte in België wordt opgepakt en aangehouden door de onderzoeksrechter, is het aan de zogenaamde “raadkamer” om te beslissen of hij of zij in voorlopige hechtenis moet blijven of vrijgelaten wordt, al dan niet onder voorwaarden.

Raadkamers hebben nog andere bevoegdheden. Zo beslist de raadkamer op het einde van het gerechtelijk onderzoek of er voldoende aanwijzingen van schuld zijn tegen een verdachte.

Maar de grootste risico’s op procedurefouten  slaan voornamelijk op de opvolging van de termijnen, zoals de termijn voor de oproeping van de aangehoudene. Deze zijn zeer strikt, vaak ook zeer kort en de gevolgen van het niet respecteren ervan zijn groot, zoals bijvoorbeeld de ongewilde vrijlating van een aangehoudene. 

Daarom deed de Hoge Raad voor de Justitie een bevraging naar de werking van de raadkamers, met bijzondere aandacht voor hun rol in het verlengen of opheffen van de voorlopige hechtenis. 

In zijn nieuwste bevraging, maakt de HRJ een lijst op van aanbevelingen die de kans op incidenten bij raadkamers in de toekomst verkleinen. Sommige zijn best practices die op het terrein worden toegepast, maar niet overal. Andere zijn adviezen die de HRJ opstelde na de bevraging.

Wie werd gevraagd naar wat?

De raadkamer is een onderzoeksgerecht op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg. In ieder van de 27 rechtbanken van eerste aanleg is er een raadkamer. De raadkamer bestaat uit een alleenzetelend rechter. Deze wordt in zijn taken bijgestaan door een griffier. Tijdens de zittingen van de raadkamer is ook steeds het openbaar ministerie aanwezig. De onderzoeksrechter brengt telkens verslag uit.

Met een responsgraad van 81,48%, zowel voor zetel, griffie als parket, en een evenwichtige mix van grote, middelgrote en kleine entiteiten, werd een representatief beeld bekomen van de actuele situatie op het terrein.

Wat zijn de vaststellingen?

In verhouding tot het aantal zaken komen vergissingen en procedurefouten volgens de betrokken actoren weliswaar weinig voor; als er al voorvallen zijn, geven zij natuurlijk aanleiding tot grote media-aandacht, vooral wegens de verregaande gevolgen, zoals de ongewilde invrijheidstelling van de aangehoudene.

Nergens is vastgesteld dat de huidige organisatie van de raadkamers en van de parketten van eerste aanleg procedurefouten in de hand werkt. Raadkamers worden bijvoorbeeld meestal voorgezeten door een vaste voorzitter, bijgestaan door een vaste griffier, hetgeen kennelijk bijdraagt tot het beperken van het risico op fouten.

Het risico op fouten neemt wel toe wanneer er een wijziging is aan de vaste samenstelling van teams die instaan voor de werking van de raadkamer en de verwerking van haar beslissingen.

De bevraging bevestigt dat er soms vermijdbare fouten worden gemaakt, dit zowel op het niveau van de zetel als bij het parket. Dit ondanks het feit dat de meeste magistraten en gerechtsmedewerkers die bij de werking van de raadkamer betrokken zijn over een ruime expertise beschikken en vaak op elkaar ingespeeld zijn.

De volgende factoren werken het risico op fouten in de hand:

  • de wetgeving (onsamenhangend, onduidelijk, onlogisch, geen eenvormige termijnen, veelvuldige en niet altijd even duidelijke wijzigingen)
  • de combinatie van werkdruk en tijdsdruk (vaak hoge werkdruk en korte beslissingstermijnen)
  • personeelsgebonden problemen (capaciteitsproblemen, onvoldoende opgeleide vervangers, materiële vergissingen, onervarenheid en onoplettendheid).

Welke aanbevelingen volgen uit dit rapport?

Het risico op menselijke fouten kan tot een minimum beperkt worden door:

  • te zorgen voor een duidelijke wetgeving met coherente termijnen. De wet op de voorlopige hechtenis moet vereenvoudigd worden, wat trouwens ook al door andere instanties, zoals het College van procureurs-generaal is geopperd
  • op het niveau van rechtbanken en parketten voorzorgsmaatregelen te nemen (checklists en knipperlichten, draaiboeken, modellen, vaste teams) en het aantal tussenstappen in het werkproces waarin fouten kunnen worden gemaakt tot een minimum te beperken 
  • een doorgedreven informatisering van de werkprocessen en controlemomenten (knipperlichten)
  • er over te waken dat eenieder die bij de werking van de raadkamer wordt betrokken, permanent of occasioneel, op een afdoende wijze is opgeleid.

Uit de bevraging is overigens de belangrijke rol gebleken die de griffiers vervullen in de procedures voor de raadkamer. Het is essentieel dat een blijvende aandacht wordt besteed aan hun selectie en vorming tot gekwalificeerde en competente medewerkers. Een ophanden zijnde opleiding bij het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) moet volgens de HRJ zeker ook openstaan voor griffiers.

Het is aan te raden om de werkprocessen met betrekking tot de raadkamer eenvormig te maken en draaiboeken op te stellen waarin de verschillende stappen in deze processen duidelijk en up-to-date worden beschreven. Dit om een houvast te bieden aan diegenen die vertrouwd zijn met de dagelijkse werking van de raadkamer, maar ook aan hun occasionele vervangers. Ook in het licht van de in de steigers staande hervorming van het gerechtelijk landschap heeft het nu reeds op elkaar afstemmen van de werkprocessen grote voordelen. De HRJ wil hiervoor graag faciliterend optreden en nog dit najaar alle betrokkenen uitnodigen om gezamenlijk eenvormige modellen en draaiboeken uit te werken.

Tot slot is het ook belangrijk dat de korpschef op de juiste manier omgaat met de gemaakte menselijke fouten en is het van belang dat over de gemaakte fout en de gevolgen ervan op een juiste, eenduidige, duidelijke en vooral transparante manier wordt gecommuniceerd.

Lees het rapport