Ambtshalve advies - Voorontwerp van wet betreffende de internering en diverse bepalingen inzake justitie.

Adviezen

Voorontwerp van wet “potpourri III” - de HRJ wijst op het kapitale belang van toereikende investeringen op het vlak van internering

De HRJ heeft een advies uitgebracht over het voorontwerp van wet betreffende de internering en diverse bepalingen inzake justitie, beter gekend onder de naam “Potpourri III”.

De HRJ is voorstander van de doelstellingen die de basis vormen van het voorontwerp, namelijk de rationalisering en de verbetering van de efficiëntie van Justitie. Hij meent evenwel dat de beoogde hervormingen de regering niet vrijstellen van de toekenning aan justitie van financiële middelen op maat van de uitdagingen van de modernisering van de instelling.

Het voorontwerp wijdt een belangrijk hoofdstuk aan de internering. De HRJ dringt erop aan dat alles in het werk wordt gesteld opdat de toekomstige interneringskamers in de strafuitvoeringsrechtbanken naar behoren functioneren (aanstelling van een voldoende aantal  assessoren en gespecialiseerde magistraten …), en betreurt het ontbreken van artsen-psychiaters in deze kamers, gelet op de meerwaarde die deze bieden door hun deskundigheid op het vlak van diagnose en behandeling van de geïnterneerden.

Het voorontwerp bevat ook wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek teneinde de elektronische betekening van gerechtsdeurwaardersexploten mogelijk te maken. De HRJ is voorstander van het gebruik door de gerechtelijke instellingen van deze nieuwe communicatiemiddelen, die sneller en moderner zijn. Hij meent evenwel dat het ontworpen systeem op een aantal punten moet worden verduidelijkt, in het bijzonder opdat de rechtzoekenden volledig en gedetailleerd worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van hun toestemming aan de overheidsdiensten om gerechtelijke akten te betekenen op hun  e-mailadres.

Over het algemeen kan de HRJ zich aansluiten bij de bepalingen van het voorontwerp van wet met betrekking tot de toegang tot de magistratuur, die voornamelijk bedoeld zijn om kandidaten aan te trekken die een zekere professionele maturiteit hebben. Hij vreest echter dat de verlenging van de gerechtelijke stage de aantrekkelijkheid van de loopbaan van magistraat zal schaden en kandidaten zal ontmoedigen die al een beroepsleven en familiale verantwoordelijkheden hebben. De HRJ pleit dan ook voor een substantiële herwaardering van het loon van de gerechtelijke stagiairs die de verlengde stage volgen.

Tot slot is de HRJ van mening dat de bepalingen die, onder bepaalde voorwaarden, aan de parketsecretarissen bevoegdheden toekennen die tot de uitoefening van de strafvordering behoren, niet thuishoren in dit voorontwerp en moeten worden overwogen in het kader van een meer globale denkoefening over het statuut van de parketjuristen en -secretarissen.